Moeder Elvira

 "Ik ben gelukkig getrouwd,
al vele jaren, met de Zoon van
"de timmerman van Nazareth".
Ook Hij is timmerman van beroep,
en elke dag ga ik nog meer
met Hem op weg  in deze eeuwige vernieuwing
van leven en vreugde.
Ik ontdekte dat "dienen regeren is".
Er is geen koninkrijk boeiender, groter,
mooier, rijker dan het hart van de mens."

Moeder Elvira

RITA AGNESE PETROZZI, bekend als MOEDER ELVIRA en door velen geïdentificeerd als "de zuster van de drugsverslaafden", werd geboren in Sora (provincie Frosinone) op 21 januari 1937. Zij houdt ervan zich "dochter van arme mensen" te noemen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog emigreerde zij naar Alexandria, samen met haar arme familie, alwaar zij de ontberingen en de naoorlogse ellende moest doormaken. Zo werd zij bij haar thuis "dienaar" van allen. Op 19-jarige leeftijd ging zij naar het klooster in Borgaro Torinese bij de Zusters van Liefde van de Heilige Giovanna Antida Thouret; daar wordt Rita Agnese Zuster Elvira.
Halverwege de jaren zeventig voelde zij binnenin haar een verlangen ontstaan, als "een brand, een sterke innerlijke drijfveer", om zich toe te wijden aan jongeren die het spoor bijster zijn, verloren en verdwaald; jongeren die ze al een paar jaar kent. Na lang wachten, vol geduld en vertrouwen, sticht zij, op 16 juli 1983, in Saluzzo (provincie Cuneo), de Gemeenschap Cenacolo. Deze gemeenschap is niet alleen een maatschappelijk of menslievend werk maar is bovenal een "familie", enerzijds gebaseerd op het geloof, waar de gewonde mens een liefde kan ontmoeten die hem gratis opvangt, hem helpt bij het genezen van zijn wonden, hem steunt en hem begeleidt bij het terugvinden van de Weg van de Waarheid; en anderzijds gebaseerd op een veeleisende liefde die hem onderwijst in de schoonheid van het Echte Leven.

AFKOMST VAN MOEDER ELVIRA

"Terwijl ik vandaag terugblik op mijn geschiedenis, in het licht van de ontmoeting met God, zegen ik het feit geboren te zijn in een groot en arm gezin, geëmigreerd uit het zuiden tijdens de oorlog van 1940-1945, vanuit Sora naar Alexandria. Ik zeg dank om het feit dat ik een "dochter van arme mensen" ben en een leven van vele ontberingen en offers gekend heb, samen met mijn ouders en mijn broers en zussen. Ik heb vervolgens de "armoede" van de alcoholverslaving van mijn vader meegemaakt, en nadien de inspanningen van mijn moeder gezien, die vele uren buitenshuis moest werken om ons te kunnen onderhouden: zij was verpleegkundige en het gehele "gewicht" van de familie rustte op haar, maar toch heeft zij dit alles altijd gedragen met kracht en waardigheid. 's Avonds, als zij uitgeput thuiskwam van het werk, waarbij ze elke dag met veel problemen geconfronteerd werd, konden wij, de kinderen, haar horen zingen in sereniteit en vertrouwen: zij heeft ons geleerd dat het leven ondanks alles waardevol is, en altijd meer waard is dan alle problemen, alle moeilijkheden, alle lijden!



Het leven heeft mij van kleins af aan geleerd om altijd eerst aan de anderen te denken, dan pas aan mezelf, en nu besef ik dat dit mijn rijkdom is geweest en mijn eerste menselijke en christelijke vorming. Ik herinner me een refrein dat mijn moeder herhaalde, elke keer dat ik in het gezelschap was van mijn vrienden die veel rijker en welvarender waren dan wij. Toen we thuis een stuk brood hadden - en tijdens de oorlog was het niet gemakkelijk voor ons om dit te hebben - of wanneer er kersen waren, zei "mama" me: "Rita, vergeet niet: alle mondjes zijn zusjes! En jij mag niets in je mond steken zonder iets aan de anderen te geven." En zodoende, niettegenstaande het ongemak van de armoede, onderwees zij ons toch in gestes van solidariteit die reeds familie, gemeenschap, gemeenschappelijk delen impliceerden; en wanneer men zich geeft aan de anderen, worden we een universele familie die samen "Het Onze Vader" kan bidden in waarheid.

Vandaag erken ik dat God mijn leven ook heeft geleid via de kwetsbaarheid van mijn vader die, ondanks alles, mijn leraar van het leven is geweest, want hij heeft me geleerd wat het wil zeggen om te offeren, hij heeft me doen begrijpen wat vernedering is… en vandaag voel ik me een echte, vrije vrouw, me ervan bewust dat binnenin ons de altijd voortdurende bron van Gods Liefde is die ons in staat stelt om uit elke situatie te herrijzen. Ik heb ervaren dat, terwijl we God ontmoeten, het verleden verlicht wordt en rijk wordt aan levenservaring, en ik ben niet beschaamd om te zeggen dat de kwetsbaarheid van mijn vader mijn universiteit is geweest, mijn levensschool, die mijn hart gevormd heeft om daarna mijn hand te kunnen uitstrekken naar kwetsbare mensen zoals hij en soms nog veel kwetsbaarder dan hem."

HET VERLANGEN OM LEVEN TE GEVEN AAN DE GEMEENSCHAP

"Ik was een gelukkige Zuster, verliefd op de Heer en het leven, maar op een gegeven moment ontstond er iets in mij dat ik niet zelf had beslist, "als een vuur",  een innerlijke drive, die me alsmaar meer in de richting van de jongeren leidde. Ik zag hen, teleurgesteld, verdwaald, verloren, en toen ik me vlak voor het Heilig Sacrament bevond, leek ik hun kreet van pijn "te voelen". Ik realiseerde me dat ze gemarginaliseerd waren en aan hun lot waren overgelaten door deze consumptiemaatschappij. Ik besefte dat er geen dialoog en communicatie was in hun families, dat het ontbrak aan vertrouwen tussen de echtgenoten en tussen ouders en kinderen: de jongeren werden alleen gelaten, en ik zag ze, verdrietig, in de straten. Tijdens het gebed leek het alsof ik hun kreet van pijn kon horen. Jongeren die aan de ene kant liepen en wij aan de andere kant, en ik leed. Ik voelde in mij een drang die ik niet langer kon onderdrukken, die alsmaar toenam. Het was niet zomaar een idee, ik wist niet eens wat er gaande was in mij, maar ik voelde de behoefte om aan de jongeren iets te geven wat God in mij had gelegd voor hen. De oproep om de deuren te openen voor hen die het spoor bijster waren, voor de verslaafden, voor de wanhopige mensen die samenkwamen in de stations, op de straten, op de pleinen, was zeker niet "mijn idee". Datgene dat plaatsvond, het verhaal dat wij beleefden, kon niet geboren zijn vanuit de ideeën of de intuïtie van een eenvoudige vrouw zoals ik. Ik ben de eerste om me elk moment te verbazen over datgene wat er gaande was: hoe zou ik een verhaal als dit hebben kunnen verzinnen?"

HET WACHTEN OP DE TIJD VAN GOD

"Een oproep die van God komt, stelt je in staat om dingen te geloven en te verwezenlijken die je zelf nooit bedacht of voorgesteld zou hebben. Het was niet gemakkelijk voor mij om aan mijn superieuren uit te leggen wat ik voelde en net zomin was het makkelijk voor hen, dat besef ik maar al te goed, om te geloven dat wat ik vroeg werkelijk van God kwam. Gedurende vele jaren heb ik regelmatig gevraagd om een huis te mogen openen waar we deze jongeren konden ontvangen, en in hun antwoord wezen ze me, terecht, op mijn beperkingen en mijn armoede: ik had niet gestudeerd, ik was niet voorbereid ... het was allemaal waar, maar binnenin mezelf was er een vulkaan in gang gezet die niet meer tot stoppen gebracht kon worden en ik voelde dat ik een antwoord moest geven aan die God die mij met een geschenk verrijkt had dat niet van mij was, maar wat ik moest uitdelen aan de jongeren.

Het was niet moeilijk om te wachten, eerder heb ik geleden omdat het me toescheen tijd te verliezen, maar ik heb met zoveel vertrouwen, geduld en hoop gewacht. Iemand zei tegen mij: "Maar Elvira, waarom verlaat je je congregatie niet, op die manier kan je doen wat je wilt!". Maar ik had niet de bedoeling " te doen wat ik wilde," het was geheel iets anders dat in me stond te gebeuren. Daarom heb ik gewacht, gebeden, geofferd, bemind. Het ontbrak me niet aan momenten van verleiding, toen de gedachte in me opkwam te denken: "Maar hoe komt het, waarom hebben ze geen vertrouwen?". Maar toen zei ik: "Maar waarom zou je eigenlijk vertrouwen hebben in mij, ik ben slechts een arm schepsel?". Nu redeneer ik wat meer en begrijp dat dit wachten een zegen is geweest, het waren de barensweeën. De vastberadenheid en het geduld dat God mij heeft gegeven zijn het zegel van zijn auteurschap geworden van datgene dat werd geboren."

16 JULI 1983: DE GEBOORTE VAN DE GEMEENSCHAP CENACOLO

"Ik herinner me die dag heel goed: het was 16 juli 1983, feest van Onze Lieve Vrouw van de Karmel, en ik had de sleutels ontvangen om het huis te betreden en te beginnen. Toen ik die poort had gezien, slaakte ik een ​​grote zucht van vreugde; Ik herinner me dat heel mijn binnenste danste van vreugde . Er ontplofte plotseling een volheid van leven in mij: het was de vreugde die de overhand had genomen tijdens het lange wachten en het moment waarop het verlangen gerealiseerd werd. Toen diegenen die me vergezelden zagen in welke staat het huis was, staken zij de handen in de haren: het huis was geruïneerd, geen deuren, geen ramen, het dak moest helemaal gerepareerd worden, er waren geen bedden, tafels, stoelen, potten, ik had geen cent ... niets! Ik zag hun verbouwereerde gezichten, maar "zag" reeds alles wat diende te gebeuren, "ik zag" het huis al zoals het nu is: gereconstrueerd, mooi en vol met jongeren! Het is verbazingwekkend hoe de Heer mij heeft ondersteund, getroost en bemoedigd! Ik dacht aan een groot huis om op zijn minst vijftig "wanhopige jongeren" een plek te geven, maar niet lang daarna waren de kamers al overvol, tot mijn grote verbazing, en met de strijd in mij om te beslissen wat ik nu moest doen. Het leven stuwde ons verder, de jongeren bleven kloppen op de deuren en zo hebben we een ander huis geopend, en dan nog een ander, eerst in Italië en daarna in het buitenland, van hier naar daar… en nu tel ik ze niet meer".

HET VERTROUWEN IN DE "GODDELIJKE VOORZIENIGHEID"

"In het begin hebben we heel grote armoede gekend, want we hadden niets, enkel de zekerheid van het geloof in God. Die God die een Vader is, Hem had ik ontdekt toen ik nog een kind was; en daar heb ik geleerd me aan Hem toe te vertrouwen wanneer de armoede te erg was, in die zin dat er helemaal niets was en ik hoorde mijn moeder vaak een litanie herhalen:  “Heilig Kruis van God, laat ons niet in de steek!” Niemand wil lijden en integendeel, daar heb ik begrepen hoe belangrijk het in het leven is om te leren leven met een kruis, want het kruis is “als onze moeder die ons alles leert” en wij moeten het accepteren en ervan houden om al het andere goed te leven. Ik  heb gewild dat de jongeren die wij verwelkomden niet enkel hoorden praten over God, maar dat ze zijn vaderschap concreet konden zien. Toen heb ik tegen God gezegd: "Ik vang hen op, ik geef Jou mijn hele leven, maar Jij laat hen zien dat je een Vader bent!". En in al die jaren, dat kan ik jullie getuigen met vreugde, heeft zijn Voorzienigheid ons nooit, nooit teleurgesteld!"

DE NAAM VAN DE GEMEENSCHAP CENACOLO

"Ik wilde iets in de naam hebben die te maken had met de Maagd Maria. Dus vroegen wij ons af: waar bevindt Maria zich in de Bijbel? Eén plek was het Cenakel, de zaal waar het Laatste Avondmaal plaatsvond: Maria was er met de apostelen, opgesloten en vervuld van angst na de dood van Jezus, zoals de jeugd van tegenwoordig: schuchter, angstig en stil. Maar haar moederlijke aanwezigheid brengt hen samen en zorgt ervoor dat ze bidden. En dan daalt de Heilige Geest, de kracht van God, op hen neer en deze transformeert hen in moedige getuigen. Vandaar dat we onze gemeenschap de Gemeenschap Cenacolo genaamd hebben, want we wensen dat deze transformatie vandaag plaatsvindt in het hart van de jongeren die we verwelkomen.

"Wij willen onszelf definiëren als een gemeenschap van openbare zondaars, zondaars die geliefd en gered zijn door de Heer, die vandaag de oneindige en immense barmhartigheid van God willen laten zien aan de wereld . Dit is onze boodschap: we willen deze levende hoop van barmhartigheid zijn die altijd aanwezig is, altijd actief, altijd nieuw, ... in mij, in u, in hen, in iedereen!"