Lou

 

luIk ben gelukkig te mogen getuigen over hoe groot de goedheid en de genade van de Heer is. Jezus is in staat om de duisternis te transformeren in iets moois en licht, dankzij een kleine "ja", ook al is die zwak en wanhopig.

Mijn naam is Lou en ik ben ter wereld gekomen in een moeilijke periode voor mijn mama: zij was jong, het spoor bijster en had ook nog mijn broertje die twee jaar was. Ze was zwanger van me, maar heeft me niet meteen verteld wie mijn vader was. Dit geheim droeg ik vele jaren met me mee en ik leefde met een groot schuldgevoel. Ik dacht een "foutje" te zijn, voelde dat ik met mijn geboorte een groot probleem gecreëerd had voor iedereen. De figuur van mijn vader heb ik altijd gemist, ook toen mijn moeder besloot te trouwen met een andere man: ik nam steeds hun onbehagen waar, alsook het leed van mijn moeder: er niet in slagen om mij en mijn broer de kwaliteit van leven te geven die ze verlangde voor ons. Ik voelde me hulpeloos, ik wilde koste wat koste mijn familie blij en trots maken op mij, ik wou hen niet ontgoochelen. Hen horen zeggen dat ik goed was, vulde mijn leegte. Maar gaandeweg werd ik verantwoordelijk voor hun vreugde, en daarom verborg ik mijn fouten of moeilijkheden.

Op school had ik heel wat onvrede: ik ergerde me er enorm aan om in het centrum van de belangstelling te staan tijdens ondervragingen, ik was doodsbang om een fout te maken en om gepest te worden. Tijdens mijn adolescentie kwam ik te weten wie mijn echte vader was: ik had totaal geen idee hoe ik diende te reageren op dit nieuws. Ik had schrik om iemand te kwetsen, dus overtuigde ik mijn moeder en mezelf dat alles goed met me ging en dat, ondanks dit nieuws, er niets veranderd was. De waarheid was echter dat de leegte in me enorm groot werd en ik voelde dat ik bij niemand hoorde.

Ook al kende ik God niet, toch voelde ik dat er Iemand was binnenin mij, ik voelde iets goeds, maar slaagde er niet in om het te begrijpen noch om het benoemen. In mijn familie ging het alsmaar slechter, met alsmaar meer moeilijkheden, mede door het drugsgebruik van mijn broer. Ik voelde me stom en steeds machtelozer. Ik vond mijn uitlaatklep in verkeerd gezelschap, me amuserend om de pijn te verdoven. Op mijn vijftiende werd ik opgenomen in een kliniek omwille van drugs en daar startte ik met een behandeling met psychofarmaca (dit zijn geneesmiddelen die inwerken op het psychisch welbevinden, oa tranquillizers, nota bij de vertaling) voor de paniekaanvallen. Ik schaamde me heel erg en verloor alle respect voor mezelf, ik zag mezelf niet graag meer. Gedurende 3 jaar ging ik op zoek naar verlichting van de angst die ik in me droeg en zakte alsmaar dieper weg.

Moeder Elvira zegt dat een kind in de Gemeenschap een zegen is voor de gehele familie, omdat dit kind begint te bidden. Het moet werkelijk zo zijn: dankzij de intrede van mijn broer in de gemeenschap, èn zijn gebeden, ben ik ook binnengegaan. Door het afzetten van mijn maskers vond ik het kind in mij terug, bedroefd en verwond. Ik was compleet verloren en ik dank God dikwijls om de Liefde die Hij mij gaf langsheen alle gebaren van vele lieftallige meisjes, in het bijzonder van het meisje aan wie ik was toevertrouwd, mijn "engelbewaarder": zij hielden van me zoals ik was en zij onderwezen me, me nabij blijvend in alle moeilijke momenten. Ik was onder de indruk om hen op weg te zien gaan met hooggeheven hoofden, met een glimlach, gelukkig, en dit ook zonder make-up of modieuze kledij. Ik werd aangetrokken door hun vrijheid om de waarheid te zeggen over wie ze zijn. Binnenin mij bewoog er iets: ook ik verlangde deze vrijheid van hart.

Toen ik erin slaagde om voor de eerste keer te spreken over mezelf, was dit een helend proces, een opluchting, een bevrijding die ik al zo lang zocht; ik voelde me niet meer alleen. Ik ontmoette God, ik begreep dat het goede dat ik in mezelf had gevoeld, dat dit God was. Hem kennen, hem een gezicht en een naam geven, opende mijn hart voor de Hoop en ik vond in Hem de kracht om te vechten en te genezen.

Vervolgens voelde ik een sterk verlangen om Christen te worden, de vreugde om, vòòr al het andere, kind van God te zijn: op de dag van mijn doopsel stond mijn broer naast mij; eerst waren we elkaar nabij in het doen van het slechte, nu waren we samen omhuld en gered door Gods Liefde. Het werd een "knal" van licht in mijn leven en vandaag heb ik zoveel zin om te leven. Ik wil de Heer uit geheel mijn hart danken voor mijn teruggevonden leven: ik ben een wonder van God! Lou.